|
Woensdagmiddag 17 november 2010, zojuist ben ik thuis gekomen van een bezoek bij moslims. Niet zomaar een bezoek. Met de christelijke deelnemers van een gespreksgroep waren we op uitnodiging te gast bij onze moslimvrienden, terwijl zij een bijeenkomst hadden om hun offerfeest te vieren. Het is een feestelijke aangelegenheid; de vrouwen zien er prachtig feestelijk uit, en er zijn de nodige lekkernijen. Tijdens dit zogenaamde "grote feest" denken moslims aan Ibrahim die bereid was zijn zoon Ismail (aldus de islamitische traditie) te offeren, maar waar God voorzag in een ram. Opofferingsgezindheid staat centraal bij de viering van het offerfeest: zoals Ibrahim zijn zoon wilde geven, zo moeten ook wij onze offers aan God geven. We maken het rituele gebed mee, alsmede een preek (in het Urdu, deels vertaald in het Nederlands) waarin opgeroepen wordt om financiële offers te brengen.
Dit bezoek staat niet op zichzelf, maar is ingebed in een reeks ontmoetingen die we als moslims en christenen hebben. Met elkaar spreken we dan over geloofsonderwerpen, aan de hand van verschillende thema's. Over en weer is er ook een bezoek gebracht: wij waren vandaag op bezoek terwijl moslims het offerfeest vierden, de moslims waren bij ons te gast tijdens een kerkdienst waarin het Heilig Avondmaal werd gevierd.
Deze bezoeken zijn niet voor niets. Door deze bezoeken leren wij de ander beter kennen. Wij leren de moslims met wie we in gesprek zijn beter begrijpen, zodat we een completer beeld krijgen over hun manier van denken en handelen. Anderzijds bieden wij hen de gelegenheid om dieper inzicht te krijgen in wie wij als christenen zijn, en wat geloven voor ons betekent. Deze bezoeken voldoen dus niet aan het verlangen naar een leuke, culturele, toeristische attractie. Nee, het bezoek wat wij vandaag brachten tijdens het offerfeest, is bedoelt om onze moslimvrienden beter te kunnen begrijpen, om zo ook te kunnen spreken over wat hét Offer is.
Schokkend, pijnlijk, en verdrietig. Dat zijn woorden die in mij opkomen als ik de vergelijking maak tussen het offerfeest en de kerkdienst die we samen meemaakten. Bij beide bezoeken stonden "offers" centraal: ook in de kerkdienst werd gesproken over Abraham die bereid was zijn zoon Isaak op te offeren, maar waar God voorzag in een ram. Abraham offerde het dier in plaats van zijn zoon. Maar deze geschiedenis gaat verder: de ram wijst heen naar Christus. Christus (ook wel het Lam genoemd) werd geofferd, zodat wij - voor eeuwig - zonen en dochters van de levende God mogen zijn! Dat is pas "groot feest"!
Een bekend lied komt in mij op. Enigszins aangepast gaat het zo:
Jezus, leven van mijn leven
Jezus, dood van mijn dood
Die voor mij U hebt gegeven
in de bangste zielenood.
Opdat ik niet zonder hoop zou sterven
maar Uw heerlijkheid zou erven.
Duizend, duizendmaal, o Heer,
zij U daarvoor de dank en eer!
Niet omdat wij wetten na leven worden we gerechtvaardigd, niet omdat het afhangt van onze inspanningen of onze wil, maar omdat God beloofd heeft dat wie in Jezus gelooft, niet bedrogen uitkomt, is er hoop! Hoop omdat hét Offer is volbracht. Jezus heeft geleden, is gestorven, en triomfeerde over alle machten door op te staan uit de dood. Hij leeft! En voor eeuwig mogen wij met Hem leven.
Het is mijn diepe verlangen en gebed dat onze moslimvrienden (en vele anderen) zullen zien en geloven dat hét Offer gebracht is. En dat wij - samen met hen - zullen zeggen (Openbaring 5:13): "Aan Hem die op de troon zit en aan het Lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid."
Erika van Nes - Visscher, medewerkster Het Kruispunt
|